Posts tonen met het label Eindtermen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Eindtermen. Alle posts tonen

Digitaal curriculum, begrippensets voor het onderwijs

Het digitaal curriculum is een verzameling van begrippen voor het onderwijs. Het kan gaan om een lijst met kerndoelen, eindtermen, vakken, beschrijvingen van niveaus of opsommingen van werkvormen of leeractiviteiten. Vanaf 2014 zijn deze begrippen als linked open data beschikbaar gemaakt in het onderwijsbegrippenkader. Begrippensets worden ook wel vocabulaires genoemd: een lijst van begrippen voor een bepaalde functie, doel en doelgroep.

Wat kun je doen met de begrippensets

Begrippensets zijn te gebruiken door ontwikkelaars van applicaties zoals collecties van leermiddelen, leeromgevingen, toetssystemen, leerlingvolgsystemen, administratiesystemen. Begrippensets zijn bijvoorbeeld lijsten met vakken, beschrijvingen van niveaus of opsommingen van werkvormen of leeractiviteiten. OCW heeft een gegevenswoordenboek ontwikkelt (Duo, [1]) waarin uitgebreide lijsten met begrippen staan om gegevens uit te wisselen. Elk begrip is beschreven zodat gebruikers weten wat er bedoeld wordt. Zo kunnen informatiesystemen van scholen aansluiten op bijvoorbeeld DUO, gemeentelijke database,  leerlingvolgsystemen,  naam en adres gegevens, op kwalificatieeisen,  opleidingsgegevens,  leeromgevingen en  schooladministratiegegevens. Bij het gebruik van vocabulaires in ICT is het belangrijk dat de gegevens altijd juist zijn zodat relaties ook kloppen. Het mag bijvoorbeeld niet zo zijn dat we een leerling een jaar laten zitten omdat gegevens niet juist zijn ingevoerd.

Gebruiken van een zelfde taal

Een belangrijk uitgangspunt bij het gebruiken van begrippensets is het gebruiken van een zelfde taal of begrippenkader. Onderstaand figuur laat zien hoe vanuit een basisset van begrippen verschillende methodes relaties te leggenzijn, maar dus ook vanuit toetsing naar dezelfde inhouden en tussendoelen te verwijzen.




Naast het leggen van relaties naar methodes en toetsing kunnen vocabulaires voor meer toepassingen gebruikt worden. Een aantal voorbeelden van functies zijn hier aangegeven.

Functies en doelen van digitaal curriculum en begrippensets

Begrippensets worden op verschillende manieren gebruikt.
  1. Gebruik van eenzelfde taal (Overheid, [2]; Gezondheid) 
  2. Beschrijven leermiddelen (NTR, [3] SLO, [4], Cito [5]
  3. Beschrijven leerlingen (SLO, [6]
  4. Beschrijven leerplan (ASN [7], CEN [8]
  5. Uitwisselen van leerlinggegevens (Kennisnet, [9]
  6. Ontwikkelen van methodes (Kennisnet, [9]
  7. Ontwikkelen van toetsen (SLO, [10]; Cito, [11]
  8. Samenstellen van lessen en lessenseries (Wikiwijs, [12]
  9. Vervangen van lessen en lessenseries 
  10. Beschrijven van rechten (Creative Commons, [13]
  11. Waarborgen inhoudelijke samenhang 
  12. Waarborgen van didactische samenhang 
  13. Verantwoording (Duo, [1] [14]; Kennisnet, [15]
  14. Financiering (Duo, [1][14]
  15. Certificaten (Kwalificatiesmbo.nl [16], SBB [17]
  16. Trendanalyse en monitoring 
  17. Visitatie, monitoring, evaluatie, toetsing (Dotcomschool, [18]; Parnassys [19]; Simac [20]

Toepasingen van vocabulaires

  1. Zoekmachines (Wikiwijs, [12]; SLO, [4]; NTR, [3]
  2. Collecties 
  3. Leerlingvolgsystemen (Cito [21], Dotcomschool, [18]; Parnassys [19]; Simac [20]
  4. Schoolmanagementsystemen (Duo, [14]
  5. Financiele systemen (Duo, [1][14]
  6. Planning 
  7. Organisatie 
  8. Leeromgevingen (N@tschool [22]; Itslearning [23]

    Soorten vocabulaires

    1. Onderwijskundig 
      1. Inhoudelijke omschrijving 
      2. Leeractiviteiten, werkvormen 
      3. Ontwerp en ontwikkeling 
    2. Organistatorisch 
    3. Technisch 
    Voor alle elementen van het spinnenweb zijn verzamelingen van begrippen vast te leggen.

    Voor een groot aantal elementen zijn al vocabulaires ontwikkeld. SLO vocabulaires zijn te vinden op SLO webite [24]. Daarnaast is door Kennisnet een centrale collectie met vocabulaires ingericht [25] waar de meeste vocabulaires die op onderwijs gericht zijn te vinden zijn.

    Referenties

    1. DUO (2012) Gegevenswoordenboek.
      http://www.ib-groep.nl/zakelijk/schakelpunt_ocw/producten_en_standaarden/gegevensproducten.asp
    2. Overheid (2012) Taalunie wetsbesluit.
      http://wetten.overheid.nl/BWBV0002947/geldigheidsdatum_16-04-2011
    3. NTR (2012) Beeldbank schooltv.
      http://www.schooltv.nl/beeldbank/
    4. SLO (2012) Leermiddelenplein.
      http://www.leermiddelenplein.nl/
    5. Cito (2012) Domeinbeschrijvingen primair en speciaal onderwijs - onderzoek en wetenschap.
      http://www.cito.nl/onderzoek%20en%20wetenschap/achtergrondinformatie/wereldorientatie/domeinbeschrijvingen.aspx
    6. SLO (2012) Leerplanvormgever.
      https://www.surfgroepen.nl/sites/SLO/Projecten/LPVG0p4/default.aspx
    7. Achievement Standards Network (2012)
      http://asn.jesandco.org/
    8. CEN (2012) Curriculum Exchange Format .
      http://www.cen-ltso.net/Main.aspx?put=946
    9. Kennisnet (2012) Inventarisatie leerlingvolgsystemen.
      http://ictvo.kennisnet.nl/techniek/leerlingvolgsystemen
    10. SLO (2012) Leerplan in beeld.
      http://leerplaninbeeld.test.slo.nl/demo/
    11. Cito (2012) Domeinbeschrijvingen en toetsen primair onderwijs
      http://www.cito.nl/nl/onderwijs/primair%20onderwijs/alle_producten.aspx
    12. Wikiwijs (2012) Geavanceerd zoeken vo.
      http://www.wikiwijs.nl/sector/vo/complex.psml
    13. Creative Commons (2012) Omschrijvingen creative commons.
      http://creativecommons.nl/
    14. DUO (2012) Referentietabellen met instellings- en opleidingsgegevens
      http://www.ib-groep.nl/zakelijk/Gemeenten/S20_Gegevensuitwisseling/tabellen_en_links.asp
    15. Kennisnet (2012) Toetswijzer.
      http://www.toetswijzer.nl/
    16. Kwalificatiesmbo.nl (2012)
      http://www.kwalificatiesmbo.nl/
    17. Werkenbijdeoverheid (2012) Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs bedrijfsleven, voorheen COLO
      http://www.werkenbijdeoverheid.nl/organisaties/deelnemer/?adm_pin=01150
    18. Dotcomschool (2012) Leerlingvolg- en Schooladministratiesysteem.
      http://www.dotcomschool.nl/
    19. Parnassys (2012) Leerlingvolgsysteem.
      http://www.parnassys.nl/
    20. Simac (2012) Leerlingvolgsysteem
      http://www.simac.com/nl/onderwijs/nieuws/DU271_Leerlingvolgsysteem-in-VO.aspx
    21. Cito (2012) Cito Volgsysteem primair onderwijs (LOVS)
      http://www.cito.nl/onderwijs/primair%20onderwijs/cito_volgsysteem_po.aspx
    22. Three Ships (2012) N@tschool.
      http://www.threeships.nl/pages/iip/IIP.aspx?p=3&e=71
    23. Itslearning (2012)
      http://www.itslearning.nl/
    24. SLO (2012) Vocabulaires voor onderwijs.
      http://vocabulaires.slo.nl/
    25. Kennisnet (2012) Edustandaard vocabulairebank
      http://vocabulairebank.edustandaard.nl
    26. Duo (2012) BRIN-gegevens.
      http://www.ib-groep.nl/zakelijk/Gemeenten/S20_Gegevensuitwisseling/tabellen_en_links.asp

    Original URL: http://knol.google.com/k/-/-/36j7ab8m2hpbf/38

    Wat is gepersonaliseerd leren?

    Gepersonaliseerd leren als begrip komt steeds vaker voor. In veel gevallen ontbreekt vervolgens een definitie wat er bedoeld wordt. In de onderstaande uitwerking wordt er specifiek verwezen naar een onderwijscontext. In deze definitie wordt er dus uit gegaan van formele kaders (van den Akker & Thijs, 2009) in termen van inhouden (kennis, vaardigheden en houding) en doelen zoals we die binnen het Nederlandse onderwijs kennen vastgelegd in kerndoelen, examenprogramma's en referentiekader.



    Gepersonaliseerd leren refereert in een onderwijscontext naar het creëren van optimale leerprocessen (leeractiviteiten, werkvormen, didactiek) die aansluiten op de persoonlijke kwaliteiten (sterktes) en individuele behoeften (ambitie) van leerlingen. Leerlingen werken op eigen wijze (persoonlijk leerpad, werkvorm, didactiek, rollen, begeleiding) en in eigen tempo (tijd) aan leerdoelen (beheersingsniveaus), passend bij hun eigen niveau (beheersingsniveaus) en talenten (Interesses en ambities). Per vak, leerdoel, leerinhoud of onderdeel (inhouden en doelen) krijgt de leerling afhankelijk van de eigen prestaties (beheersingsniveaus) en voorkeuren (interesses) een aangepast programma (persoonlijk leerpad). De leerling wordt gestimuleerd (voortgang, certificaten, stimuli) om keuzes te maken (inhouden en doelen) met betrekking tot het (her)ontwerpen van zijn persoonlijke curriculum (interesse en ambitie), waarbij de leraar een ondersteunde rol (Begeleiding en rollen) vervult door middel van effectieve feedback (continue evaluatie) en door het faciliteren van rijke leersituaties (variatie in leeractiviteiten)(Fisser, 2014).



    In deze definitie worden alle leerplanelementen (van den Akker, 2003) aangehaald. Deze onderdelen staan allemaal met elkaar in verband zoals ook in het curriculaire spinnenweb wordt weergegeven. Alle onderdelen staan met elkaar in verband waarbij de leerlingkenmerken centraal staan.





    Tabel 1 Leerplanelementen

    Leerplanelementen
    Kernvraag
    Visie
    Waartoe leren zij?
    Doelen
    Waarheen leren zij?
    Inhoud
    Wat leren zij?
    Leeractiviteiten
    Hoe leren zij?
    Rol leraar
    Hoe is rol van leraar bij hun leren?
    Materialen en bronnen
    Waarmee leren zij?
    Groeperingsvorm
    Met wie leren zij?
    Locatie
    Waar leren zij?
    Tijd
    Wanneer leren zij?
    Toetsing
    Hoe wordt hun leren getoetst?

    Op basis van een werkdefinitie van Educause (2014) is een vertaling gemaakt (Strijker & Trimbos 2014) voor de Nederlandse onderwijscontext.

    Leerlingkenmerken

    Het leerlingprofiel informeert leerlingen, docenten en ouders over de voortgang van de sterkte, behoefte en motivatie van de leerling.

    Sterkte en behoeftes
    Wat zijn het huidige beheersingsniveaus (sterkte) en gewenste beheersingsniveaus (behoefte) van de leerling en hoe kan het gewenste beheersingsniveau bereikt worden. Beheersingsniveau is een combinatie van inhouden, doelen en niveau zoals MVT A1..C2, RK 1F..4F. zoals bijvoorbeeld weergegeven in de kernprogramma's.

    Motivatie: interesse en ambitie
    Hoe kunnen inhouden en doelen afgestemd worden op de interesses van de leerling zodat met succes ambities waargemaakt kunnen worden. Hierbij zijn de kerndoelen en eindtermen uitgewerkt in beheersingsniveaus het uitgangspunt. De interesses en ambities moeten hier binnen vallen. De vrijheid van onderwijs en de keuzes van de leerling worden hierdoor begrensd.

    Inhouden en doelen
    Welke gewenste beheersingsniveaus stelt de leerling om zijn ambities waar te maken. Hoe reflecteert leerling en op de gewenste beheersingsniveaus en ambities en hoe ondersteunt de docent de leerling.

    Informeren, reflecteren en communiceren
    Informeren over de voortgang wat betreft de gestelde doelen, de reflectie op de voortgang richting de leerling en het daarover communiceren van docenten en ouders. Hiermee wordt bedoeld dat gegevens uit bijvoorbeeld learninganalytics worden geïnterpreteerd voor communicatie van betrokkenen.

    Voortgang en ontwikkeling

    De voortgang wordt continue geëvalueerd op basis van de door de leerling gestelde doelen.

    Continue evaluatie
    Op welke manier en hoe vaak evalueren we het beheersingsniveau van de leerling die nodig zijn voor succesvol waarmaken van ambities.

    Persoonlijke voortgang en  ontwikkeling
    Hoe stellen we leerlingen in staat om vervolgstappen te maken wanneer een beheersingsniveau bereikt is. Hoe wordt persoonlijke voortgang gestimuleerd. Stimulans kan in de vorm van (internationaal) erkende certificaten, badges, scores worden geboden om ambitie te versterken.

    Persoonlijke leerlijnen

    Persoonlijke leerlijnen zijn gebaseerd op sterktes, behoeftes, interesses, ambities en beheersingsniveaus.

    Persoonlijk adaptief leerplan
    Rekening houden met de sterkte, behoefte, motivatie, inhouden en doelen van de lerende.

    Leeractiviteiten en leermiddelen
    De wijze waarop geleerd wordt in termen van didactiek, aanpak gericht op de  eerlingkenmerken. Welke kennis en vaardigheden zijn nodig om zijn doelen te behalen en welke didactische werkvormen lijken daarvoor ideaal.

    Variatie in leeractiviteiten
    Hoe bereik je de beheersingsniveaus en wat zijn daarbij de ideale leeractiviteiten wat betreft didactiek, werkvorm en wijze overdracht.

    Flexibele leeromgeving

    De leeromgeving is aangepast op de sterktes, behoeftes  interesses, ambities en doelen van de leerling en speelt in op wijzigingen op die elementen in het leerlingprofiel.

    Planning en organisatie
    Hoe kunnen planning en organisatie inspelen op de voortgang, begeleiding, groeperingvorm en be-hoefte van de leerling om passende leermiddelen te gebruiken en leeractiviteiten succesvol uit te voeren.

    Begeleiding en rollen
    Hoe kunnen docenten, leerlingen inclusief de leerling zelf en andere betrokkenen inspelen op de voortgang van de leerling en daarmee de veranderende kenmerken van de leerling.

    Groeperingvormen
    Hoe stellen we groepen samen binnen of buiten de klas om leeractiviteiten uit te voeren en gestelde doelen te bereiken. Hoe spelen deze groeperingen in op de verschillende persoonlijke behoeften.

    Leeromgeving
    Leeractiviteiten kunnen binnen en buiten de school plaatsvinden, maar ook virtueel in plaats van fysiek.

    Tijd
    Hoe kan de leerling buiten het rooster ook tijd besteden aan het bereiken van de beheersingsniveaus.

    Referenties

    Akker, van den, J., & Thijs, A. (2009). Leerplan in ontwikkeling. Enschede: SLO.

    Akker, J. van den (2003). Curriculum perspectives: an introduction. In J. van den Akker, W. Kuiper & U. Hameyer (eds.), Curriculum Landscapes and Trends, (pp. 1-10). Dordrecht: Kluwer Academic Publishers.

    Educause (2014) A working definition of Personalized Learning. 2015-04-13 via http://nextgenlearning.org/topics/personalized-learning / Educause.

    Fisser, P.H.G. (2014) De rol van ICT bij gepersonaliseerd leren. SLO Enschede.

    Strijker, A. & Trimbos, B. (2014) Definities voor gepersonaliseerd leren. SLO Enschede.



    Wat zijn kernprogramma's?

    Er zijn voor ieder vak verschillende documenten die de landelijke kaders vormen voor wat er op de verschillende niveaus geleerd moet worden voor een vak of leergebied. Zo zijn er kerndoelen voor primair onderwijs en voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs en eindtermen voor de bovenbouw, aangevuld met syllabi voor het centraal examen en Handreikingen voor het schoolexamen. Voor taal en rekenen zijn er referentieniveaus en voor de moderne vreemde talen het ERK. Om een handzaam overzicht te krijgen over al deze documenten, ontwerpt SLO kernprogramma’s. 
    Een kernprogramma is een compacte weergave van het officiële programma van kerndoelen en eindtermen van een vak, geordend in een doorlopende leerlijn van primair onderwijs naar bovenbouw voortgezet onderwijs met nadere concretisering daarvan op onderdelen.

    Voor het primair onderwijs en voor de onderbouw voortgezet onderwijs zijn er globale kerndoelen die al compact zijn, maar juist verder uitgewerkt moeten worden om als kernprogramma dienst te kunnen doen. Voor de bovenbouw vmbo en havo/vwo zijn er ook globale eindtermen, maar die zijn al verder uitgewerkt in uitgebreide syllabi voor het centraal examen en handreikingen voor het schoolexamen. Deze uitwerkingen moeten compact weergegeven worden om als kernprogramma's dienst te kunnen doen. In de afgelopen jaren zijn ook toetswijzers voor de kernvakken Nederlands, wiskunde/rekenen en Engels opgenomen in de kernprogramma's. Daarnaast wordt de koppeling onderzocht naar de Kennisbasis voor science en domeinbeschrijvingen voor wetenschap en technologie.

    Naast een overzicht van “wat moet” in de verschillende fasen van het onderwijs, biedt het kernprogramma ook suggesties voor “wat mag”. Het gaat om keuzes die scholen zelf kunnen maken in primair onderwijs en de onderbouw, maar ook binnen de ruimte die het schoolexamen in de bovenbouw biedt.
    Een kernprogramma is bedoeld voor docenten, schoolleiders, onderwijsondersteuners, opleiders, uitgeverijen en materiaalontwikkelaars, maar ook voor experts die keuzes maken voor de invulling van onderwijs. Daarbij dient het kernprogramma als onderlegger en bron om na te gaan of de gemaakte keuzes voldoen aan ‘wat mag en wat moet in het onderwijs’. Deze kernprogramma’s ondersteunen ook in het maken van leerplankundige keuzes zoals maatwerk, gepersonaliseerd leren, passend onderwijs en inhoudelijke vulling van leerlingvolgsystemen.

    De kernprogramma’s worden verder als uitgangspunt gebruikt voor het creëren van zogenoemde vocabulaires, classificaties die onder andere worden gebruikt voor het metadateren van leermaterialen. Deze van de kernprogramma’s afgeleide vocabulaires worden(in definitieve versies) opgeleverd en ingediend bij bureau Edustandaard om opgenomen te worden in het OnderwijsBegrippenkader[1]. Hierdoor worden ze bruikbaar in elektronische leeromgevingen, leerlingvolgsystemen en schooladministratiesystemen.

    Het OnderwijsBegrippenkader (OBK) is in Nederland dé gemeenschappelijke online database met alle onderwijsbegrippen en hun onderlinge verbindingen - te beginnen met de niveaus en beschrijving van inhouden en doelen, het curriculum. Doel van het OBK is om er voor te zorgen dat alle informatiesystemen in het Nederlandse onderwijs dezelfde onderwijstaal spreken door middel van het uniek identificeren en definiëren van de begrippen met hun onderlinge verbindingen. De inhoud van het OBK is volgens de semantisch web principes opgeslagen in een RDF-store en wordt als open linked data beschikbaar gesteld. De RDF-store kan op meerdere manieren worden uitgelezen: direct uitvragen door middel van een SPARQL end point, via een specifieke API of via een specifieke webbased “browser”[2].

    In 2010 is een start gemaakt met de ontwikkeling van kernprogramma's voor de onderbouw vo. Deze zijn te vinden op http://leerplaninbeeld.slo.nl. Vanaf 2012 zijn er ook kernprogramma's ontwikkeld voor een selectie van vakken binnen primair onderwijs, bovenbouw vmbo en tweede fase havo/vwo. Kernprogramma's hebben de volgende kenmerken:
    •  Ze moeten zicht geven op de doorlopende leerlijnen van de inhoud van de vakgebieden tussen de verschillende sectoren;
    • Ze moeten gevalideerd zijn door vakverenigingen, expertisecentra en uitgeverijen.

    Elk vak of leergebied kent een aantal sectoroverstijgende vakkernen die uitgewerkt zijn in doorlopende leerlijnen[3]. Omdat de kernprogramma’s van een vak als doorlopende leerlijn gepresenteerd moeten kunnen worden, worden zij volgens een vaste structuur ontwikkeld. Elke vakkern wordt daarnaast per sector uitgewerkt in subkernen, inhouden en doelen. De onderdelen van een kernprogramma worden hier kort beschreven[4]:
    • Doorlopende leerlijnen - In de doorlopende leerlijn is aangegeven hoe inhouden en vaardigheden in de verschillende niveaus voorkomen. Er wordt dus bijvoorbeeld aangegeven hoe binnen het vak aardrijkskunde in de kerndoelen po, kerndoelen vo en eindtermen vo de vakkern water aan de orde komt.
    •  Niveaus/sectoren - Bij sectoren gaat het om de indeling in sectoren zoals po, vo, tweede fase of indeling in jaren. Het gaat hier uiteindelijk ook om de keuze van het eindniveau waar de leerlijn eindigt, maar ook om de opdeling in stappen. Bijvoorbeeld Tule[5] heeft als eindniveau de uitstroom van basisonderwijs (eind groep 8) en heeft tussendoelen geformuleerd per twee leerjaren. Het referentiekader taal en rekenen heeft als eindniveau eind WO genomen in de vorm van 4F en daartussen drie punten, 1F, 2F en 3F aangeven. In de kernprogramma's zijn leerlijnen geformuleerd met eind vmbo als einddoel en leerlijnen met havo/vwo als einddoel. Tussendoelen zijn aangegeven op eind basisonderwijs en eind onderbouw. Dit is voor vmbo eind klas 2 en voor havo/vwo klas 3. Het kiezen van eindniveau en tussenniveaus hangt nauw samen met de functie, doelgroep en opbouw van de leerlijn.
    • Leergebieden/vakken – Op dit moment zijn er leerlijnen ontwikkeld voor verschillende vakken en leergebieden zoals Taal, Rekenen en Mens & Maatschappij. Dit wordt beheerd door Dienst Uitvoering Onderwijs en is daardoor ook een wettelijk onderdeel van het onderwijs.
    • Kern - De kern is een bouwsteen die als rode draad fungeert voor alle sectoren (po, vo onderbouw, vmbo bovenbouw, vo tweede fase). De kern is een kapstok waaraan onderdelen van het onderwijsprogramma opgehangen kunnen worden. Daarnaast heeft een kern een zekere mate van abstractie om als kapstok te kunnen fungeren voor verdere uitwerkingen. Het aantal kernen mag maar beperkt zijn en varieert van 4-10 per vak. Bij talen bestaan kernen uit kernvaardigheden, bij geschiedenis uit tijdvakken en bij economie uit kernconcepten. Deze verschillen zijn geen probleem. Voor elk vak staan de kernen wel allemaal gerangschikt in de kolom kernen. Het nummeren van kernen en de volgorde is vaak van belang.
    • Subkern - Een kern valt uiteen in meerdere subkernen, die elk een bepaald onderdeel van een kern beschrijven. Subkernen die bij één bepaalde kern horen, hangen met elkaar samen. Het zijn dus kleinere bouwstenen. Om in een latere fase leermiddelen goed te kunnen metadateren is van belang dat het aantal subkernen per kern niet beperken, maar juist fijnmazig maken. Voor de uitgevers is het handig als zij hun leermiddel één op één kunnen labelen met een kern/subkern. Zodat ook de gebruiker die een leermiddel gaat zoeken over een kleiner onderdeel van het vak, een hier bijbehorend leermiddel kan vinden.
    •  Inhoud (Omschrijving, Onderwerp) - De kernen en subkernen bieden nog niet voldoende informatie om te weten wat leerlingen moeten kennen/kunnen. Daarom is aanvullende informatie nodig. In de kolom inhoud komt een korte omschrijving van de subkern te staan in samenvattende zin.
    • Vakbegrip - Ieder vak kent vakspecifieke begrippen. Dit zijn begrippen die specifiek zijn voor en vak en voorkomen in een inhoud, tussendoel of eindterm. Alle vakkernen en subkernen zijn al automatisch vakspecifieke begrippen. Een vakspecifiek begrip is een begrip dat een prominente plaats inneemt in het programma van het vak, door de leerlingen gekend en toegepast moet worden in het onderwijs.
    •  Tussendoel of eindterm - Voor elk niveau in combinatie met een inhoud is een uitwerking in de vorm van een tussendoel, eindterm of doelen uit de syllabi voor het centraal examen (CE), of de handreikingen voor het school examen (SE). Het tussendoel of eindterm bevat dus een beheersingsniveau in de vorm van een handelingswerkwoord in combinatie met de eerder aangegeven inhoud.
    • Kern- en keuzestof - Programmaonderdelen die als kern kunnen dienen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs (per vak en per leergebied) en inhoud die optioneel kan worden toegevoegd aan het programma. In de bovenbouw wordt de kern aangegeven als het deel dat verplicht is voor het centraal examen (CE) inclusief het verplichte deel van het schoolexamen (SE) en het keuzedeel als het door de school nader in te vullen deel van het SE.
    •  Samenhang - Om samenhang tussen verwante vakken aan te geven kan op basis van inhouden tussen de vakken een relatie worden aangegeven.
    • Einddoel - Geeft per inhoud aan welke kerndoelen, exameneenheden of referentiekader doelen ten grondslag liggen aan de inhouden
    • Vakvaardigheden - De vaardigheden staan in aparte onderdelen beschreven van de officiële onderwijsprogramma’s, soms in een preambule, soms in Domein A van het bovenbouw examenprogramma. Kenmerk van deze bijzondere onderdelen is dat ze op alle inhoudelijke domeinen toegepast kunnen worden. Deze vakspecifieke vaardigheden worden apart opgenomen in het kernprogramma en omvatten analoog aan de punten hierboven een beschrijving van de vakvaardigheid, de subvaardigheid(heden), een omschrijving, of het onderdeel uitmaakt van het CE of SE, het niveau en de samenhang met andere vakvaardigheden (geldt niet voor vaardigheden vakken als Nederlands/taal en wiskunde/rekenen).

    Kernprogramma’s hebben geen wettelijke status, maar zijn suggesties hoe de officiële voorschriften voor onderwijsprogramma’s samengevat en uitgewerkt kunnen worden. SLO heeft concept versies van de kernprogramma’s voorgelegd aan experts, vertegenwoordigers van vakverenigingen en opleiders en aan vertegenwoordigers van de uitgeverijen. In de verschillende toepassingen in de praktijk zijn de kernprogramma’s beproefd op helderheid, bruikbaarheid en toepasbaarheid. De feedback die SLO van al deze partijen ontving, is ingezet om de kernprogramma’s te verbeteren. Aanpassingen van de kernprogramma’s zullen nodig blijven, omdat examenprogramma’s vernieuwd worden, kerndoelen uitgebreid en nieuwe wettelijke voorschriften, zoals over de 3 kernvakken in de onderbouw, aangenomen worden. SLO blijft met regelmaat deze wijzigingen doorvoeren en meldt deze wijzigingsrondes op de website Leerplan in beeld.

    Gepersonaliseerd leren met kernprogramma's en doorlopende leerlijnen

    Gepersonaliseerd leren is al jaren een belangrijk aandachtspunt in het onderwijs, waarbij het gaat om meer flexibiliteit richting de leerling. In de meest eenvoudige vorm houdt dit in dat de meeste leerlingen een zelfde aanbod van leeractiviteiten en leermiddelen krijgen en dat leerlingen die meer aandacht nodig hebben aanvullend of verdiepend materiaal en begeleiding krijgen. In de praktijk blijkt dat problemen op te leveren door grote verschillen van leerlingen in onder andere kennis, vaardigheden, houding en voortgang en dat docenten ondersteuning nodig hebben bij de keuze van leermiddelen en leeractiviteiten die passen bij groepjes leerlingen of een individuele leerling.

    De afgelopen jaren zijn er verschillende onderzoeken uitgevoerd om na te gaan wat zinvolle selectiecriteria zijn om beter aan te sluiten op de kenmerken van leerlingen[1]. In veel gevallen is de docent bepalend in de uiteindelijke keuze van de uiteindelijke leermiddelen, maar kan er een (voor)selectie gedaan worden door een elektronische leeromgeving, een uitgever of zoekmachine. De automatische voorselectie door zoekmachines kan gebaseerd worden op criteria die uit de kernprogramma's gehaald kunnen worden, zoals een vakgebied, onderwerp en niveau. Zo kan in een doorlopende leerlijn voor bijvoorbeeld de vakkern Water voor het vak Aardrijkskunde aangegeven worden wat de relatie is tussen de kerndoelen in het primair onderwijs, de kerndoelen voor vo onderbouw en de exameneenheden in de bovenbouw, zie Figuur 1a. Daarnaast kunnen voor specifieke inhouden en vaardigheden ook tussendoelen en eindtemen worden aangegeven. Tussendoelen en eindtermen zijn concretiseringen van kerndoelen en exameneenheden. Voor een doorlopende leerlijn van po naar vwo kunnen dan ook bijvoorbeeld tussendoelen van havo worden gebruikt, zie ook Figuur 1b.

    Figuur 1a) Doorlopende leerlijn po-vo                                   

    Figuur 1b) inclusief tussendoelen en eindtermen
    Voor het vmbo kan gebruik gemaakt worden van de verschillende uitstroomniveaus en bijbehorende tussendoelen om een doorlopende leerlijn aan te geven, zie Figuur 2.

    Figuur 2 Doorlopende leerlijn po-vmbo op basis van uitstroomniveaus
    En dit kan verder uitgewerkt worden tot een doorlopende leerlijn die alle niveaus omvat. Binnen een leerlijn kan dan afhankelijk van de vorderingen van een leerling een passende route worden gevolgd, of kunnen er meerdere stappen worden genomen om alsnog een verder liggend doel te bereiken. De oranje leerlijn in Figuur 3 geeft de beoogde route aan in tussendoelen, de paarse voor leerlingen die meer uitdaging willen en de groene voor leerlingen die het niveau niet direct aankunnen. Zo kan op er op basis van de tussendoelen in de kernprogramma's een leerlijn worden gevolgd die afgestemd is op de leerling.

    Figuur 3 Doorlopende leerlijn po-vo met verschillende routes
    De doorlopende leerlijnen zoals hierboven geschetst kunnen al mogelijk gemaakt worden op basis van de SLO kernprogramma's. Examens spelen hier ook een rol in. Zo is voor de bovenbouw rekening gehouden met school- en centraal examens. Het examenprogramma is daarbij als uitgangspunt genomen en de geglobaliseerde eindtermen zijn uitgewerkt aan de hand van de syllabus en de handreiking. De syllabus beschrijft voor het centraal examen in specifieke eindtermen wat getoetst wordt. De handreiking beschrijft specifieke eindtermen op basis van de geglobaliseerde eindtermen waar het schoolexamen zich op moet richten, zie Figuur 4.

    Figuur 4 Kernprogramma's en examenprogramma's
    In de Proeftuin Examens (SLO, 2014) gaat het specifiek om de koppeling tussen de kernprogramma's en de eindexamens van het centraal examen. Voor de Proeftuin is daarom een selectie gemaakt uit het kernprogramma, specifiek voor dit projectdoel, zie Figuur 5.


    Figuur 5 Koppeling kernprogramma en eindexamens in de Proeftuin
    Als naar aanleiding van de ervaringen in de proeftuin de meerwaarde van deze koppeling geëvalueerd is kunnen de kernprogramma's in totaliteit gevalideerd worden. Vervolgens kunnen daar in de toekomst ook schoolexamens in de bovenbouw, diagnostische toetsen uit de onderbouw, methodegebonden toetsen en centrale tussentoetsen aan gekoppeld worden inclusief bijbehorende leermiddelen. Leerlingen kunnen dan aan de hand van de toetsen en de doorlopende leerlijnen hun doelen bepalen. Daarbij zullen zich nieuwe vraagstukken aandienen die nader onderzocht moeten worden.


    Strijker, A. (2012). Curriculum as backbone for the selection of learning materials. Presentatie op Edrene 8th strategic seminar, 8 May 2012, Lisbon Portugal.
    Strijker, A. & Corbalan, G. (2011). Zoeken en arrangeren met leerlijnen. SLO, Enschede.
    SLO (2014) Proeftuin Examens. http://proeftuinexamens.slo.nl/

    Kernprogramma's in het onderwijs, wat is kern en wat is keuze

    Vanaf 2010 is SLO bezig met de ontwikkeling van kernprogramma's. Kernprogramma’s beschrijven 'wat' in het onderwijs aan de orde is, dat wat "moet en mag' en die aangeven wat de kern van het programma is en wat keuzeonderdelen zijn. Kernprogramma’s zijn onderleggers voor alle curriculaire keuzes die gebruikers willen maken, keuzevrijheid is er één maar het kunnen ook andere toepassingen zijn. Voor de bovenbouw is in de kernprogramma's deze keuzevrijheid weergegeven in het deel schoolexamen en centraal examen. 

    Een kernprogramma is een compacte weergave van het officiële programma van kerndoelen en eindtermen van een vak, geordend in een doorlopende leerlijn van primair onderwijs naar bovenbouw vo met nadere concretisering daarvan op onderdelen.
    Voor het primair onderwijs en voor de onderbouw v.o. zijn er globale kerndoelen die al compact zijn, maar juist verder uitgewerkt moeten worden om als kernprogramma dienst te kunnen doen.Voor de bovenbouw vmbo en havo/vwo hebben we te maken met globale eindtermen, maar die zijn al verder uitgewerkt in uitgebreide syllabi voor het centraal examen en handreikingen voor het schoolexamen. Deze uitwerkingen moeten compact weergegeven worden om als kernprogramma's dienst te kunnen doen. In de afgelopen jaren zijn ook toetswijzers voor de kernvakken Nederlands, wiskunde/rekenen en Engels opgenomen in de kernprogramma's. Daarnaast wordt de koppeling onderzocht naar de Kennisbasis voor science en domeinbeschrijvingen voor wetenschap en technologie.
    De kernprogramma's worden als uitgangspunt ook gebruikt voor vocabulaires. Vocabulaires kunnen gebruikt worden voor het metadateren van leermiddelen (OnderwijsBegrippenKader), maar ook in electronische leeromgevingen, leerlingvolgsystemen en schooladministratiesystemen.
    In 2010 zijn kernprogramma’s is een start gemaakt met de ontwikkeling van kernprogramma's voor de onderbouw vo. Deze zijn te vinden op http://leerplaninbeeld.slo.nl.  Vanaf 2012 zijn er ook kernprogramma's ontwikkeld voor een selectie van vakken binnen primair onderwijs, bovenbouw vmbo en bovenbouw tweede fase. 

    Kernprogramma's hebben de volgende kenmerken:
    • Ze moeten zicht geven op de doorlopende leerlijnen van de inhoud van de vakgebieden tussen de verschillende sectoren;
    • Ze moeten gevalideerd zijn door vakverenigingen, expertisecentra en uitgeverijen.

    Kernprogramma's kunnen op verschillende manieren gebruikt worden:
    • Door partijen als scholen, uitgevers, etc zicht geven op het wat van het onderwijs, op kern en keuze zodat zij maatwerk aan leerlingen kunnen geven en
    • Ze kunnen als basis dienen voor vocabulaires voor ICT toepassingen waarmee onder andere leermiddelen kunnen worden gemetadateerd.

    Onderdelen van een kernprogramma:

    Kernprogramma's kennen bij de ontwikkeling een vaste structuur. Kernprogramma's worden vaak per vak of leergebied. Elk vak of leergebied kent een in aantal sectoroverstijgende vakkernen die uitgewerkt zijn in doorlopende leerlijnen. Elke vakkern is daarnaast per sector uitgewerkt in subkernen, inhouden en doelen. De onderdelen zijn hier kort beschreven.
    • Doorlopende leerlijnen - In de doorlopende leerlijn is aangegeven hoe inhouden in de verschillende niveaus voorkomen. Er wordt dus bijvoorbeeld aangegeven hoe binnen het vak aardrijkskunde in de kerndoelen po, kerndoelen vo en eindtermen vo de vakkern water aan de orde komt.

    • Niveaus/sectoren - Bij sectoren gaat het om de indeling in sectoren zoals po, vo, tweede fase of indeling in jaren. Het gaat hier uiteindelijk ook om de keuze van het het eindnviveau waar de leerlijn eindigd, maar ook om de opdeling in stappen. Bijvoorbeeld Tule (SLO, 2009) heeft als eindniveau de uitstroom van basisonderwijs, dus eind groep 8 en heeft tussendoelen geformuleerd per twee leerjaren. Het referentiekader taal en rekenen heeft als eindniveau het eind WO genomen in de vorm van 4F en daartussen drie punten, 1F, 2F en 3F aangeven. In de kernprogramma's zijn leerlijnen geformuleerd met eind vmbo als einddoel en leerlijnen met havo/vwo als einddoel. Tussendoelen zijn aangegeven op eind basisonderwijs en eind onderbouw. Dit is voor vmbo eind klas 2 en voor havo/vwo klas 3. Het kiezen van eindniveau en tussennivaus hangt nauw samen met de functie, doelgroep en opbouw van de leerlijn.

    • Leergebieden/vakken - Momenteel zijn er leerlijnen ontwikkeld voor verschillende vakken zoals taal, rekenen en aardrijkskunde. Deze vakken zijn concrete begrippen in basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Toch is dit niet vanzelfsprekend omdat in het basisonderwijs er wat betreft wetgeving niet over vakken maar over leergebieden wordt gesproken. In de onderbouw van het voortgezet onderwijs zijn kerndoelen ook ingedeeld op leergebieden, maar de examens worden alleen per vak afgenomen. Deze vakkenlijst wordt beheert door Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO, 2013) en is daardoor ook een wettelijk onderdeel van het onderwijs. Het kiezen van leergebieden is daarmee direct gekoppeld aan wetgeving.

    • Kern - De kern is een bouwsteen die als rode draad fungeert voor alle sectoren (po, vo onderbouw, vmbo bovenbouw, tweede fase). De kern is een kapstok waaraan onderdelen van het onderwijsprogramma opgehangen kunnen worden. Daarnaast heeft een kern een zekere mate van abstractie om als kapstok te kunnen fungeren voor verdere uitwerkingen. Het aantal kernen mag maar beperkt zijn en varieert van 4-10 per vak. Bij talen bestaan kernen uit kernvaardigheden, bij geschiedenis uit tijdvakken en bij economie uit kernconcepten. Deze verschillen zijn geen probleem. Voor elk vak staan de kernen wel allemaal gerangschikt in de kolom kernen. Het nummeren van kernen en de volgorde is vaak van belang.

    • Subkern - Een kern valt uiteen in meerdere subkernen, die elk een bepaald onderdeel van een kern beschrijven. Subkernen die bij één bepaalde kern horen, hangen met elkaar samen. Het zijn dus kleinere bouwstenen. Om in een latere fase leermiddelen goed te kunnen metadateren is van belang dat het aantal subkernen per kern niet beperken, maar juist fijnmazig maken. Voor de uitgevers is het handig als zij hun leermiddel één op één kunnen labelen met een kern/subkern. Zodat ook de gebruiker die een leermiddel gaat zoeken over een kleiner onderdeel van het vak, een hier bijbehorend leermiddel kan vinden.

    • Inhoud (Omschrijving , Onderwerp) - De kernen en subkernen bieden nog niet voldoende informatie om te weten wat leerlingen moeten kennen/kunnen. Daarom is aanvullende informatie nodig. Het gaat hier niet om voorbeelden te geven. In de kolom inhoud komt een korte omschrijving van de subkern te staan in samenvattende zonder het beheersingsniveau in de zin van handelingswerkwoorden. Voorkom dat het een rijtje met begrippen wordt, die geven onvoldoende weer wat er gekend moet worden. De verbanden tussen begrippen zoals oorzaak en gevolg moeten hier worden aangegeven.

    • Vakbegrip - Ieder vak  kent vakspecifieke begrippen. Dit zijn begrippen die specifiek zijn voor en vak en voorkomen in een Inhoud, Tussendoel of eindterm. Alle vak kernen en subkernen zijn al automatisch vakspecifieke begrippen. Een vakspecifiek begrip is een begrip dat een prominente plaats inneemt in het programma van het vak, door de leerlingen gekend en toegepast moet worden in het onderwijs.

    • Tussendoel of eindterm – Voor elk niveau in combinatie met een inhoud is een uitwerking in de vorm van een tussendoel, eindterm of doelen uit de syllaby voor het centraal examen (CE), of de handreikingen voor het school examen (SE). Het tussendoel of eindterm bevat dus een beheersingsniveau in de vorm van een handelingswerkwoord in combinatie met de eerder aangegeven inhoud.

    • Einddoel – Geef per inhoud aan welke kerndoelen, exameneenheden of referentiekader doelen ten grondslag liggen aan de inhouden

    • Kern- en keuzestof - Programmaonderdelen die als kern kan dienen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs (per vak en per leergebied) en inhoud die optioneel kan worden toegevoegd aan het programma. In de bovenbouw wordt de kern aangegeven als het deel dat wordt aangegeven voor het centraal examen (CE) en het keuzedeel voor schoolexamen (SE)

    • Samenhang – Om interne samenhang aan te geven kan op basis van inhouden tussen de vakken een relatie worden aangegeven.