Ontwikkelen van doorlopende leerlijnen


Bij het ontwikkelen van leerplannen is samenhang, consistentie en opbouw van inhouden en doelen van groot belang. Afgelopen jaren zijn door SLO verschillende leerlijnen ontwikkeld (SLO, 2013). Dit document is een handreiking voor het ontwikkelen van doorlopende leerlijnen voor bijvoorbeeld hoger onderwijs en MBO.

Een leerlijn is een beredeneerde opbouw van inhouden en tussendoelen die leiden naar een einddoel. Afhankelijk van de precieze functie, gebruikscontext en doelgroep variëren leerlijnen in de mate waarin implicaties voor verschillende leerplanelementen zijn uitgewerkt (Strijker, 2010; Strijker & Corbalan, 2011).

Doorlopende leerlijnen richten zich daarbij specifiek op de continuïteit tussen sectoren zoals PO, VO, MBO, HBO en WO. Bij het ontwikkelen van doorlopende leerlijnen is de laatste jaren de nadruk komen te liggen op ontsluiting van inhouden en doelen voor het gebruik in ICT toepassingen. Dit houdt in dat bij de beschrijving van leerplannen de gebruikte begrippen zijn ondergebracht in vocabulaires (Edustandaard, 2013). Dit in navolging op verzoeken van verschillende collectiehouders van leermiddelen, leveranciers van digitale leeromgevingen en uitgevers (ECK. 2013). Daarnaast zijn er mondiaal verschillende gelijksoortige ontwikkelingen gaande in de Verenigde Staten, Canada, Noorwegen en Frankrijk (Edrene, 2013).

In dit document wordt een aanzet gegeven hoe doorlopende leerlijnen zijn te ontwikkelen en hoe die vervolgens ook nationaal en internationaal te ontsluiten zijn. SLO heeft voor het basis-, voortgezet-, en speciaal onderwijs al een grote hoeveelheid leerlijnen ontwikkeld en ontsloten. Dit stuk geeft aanwijzingen hoe ook voor het hoger onderwijs of binnen scholen leerlijnen ontwikkeld kunnen worden.

Het ontwikkelen van doorlopende leerlijnen kent verschillende stappen. Ze worden hier beknopt weergegeven. Door het overleggen met verschillende partijen die belangen hebben bij de ontwikkeling kan het proces veel tijd in beslag nemen.
  1. Contextanalyse – Het gaat hier om het vaststellen van bestaande wetgeving, belangengroepen, visie, vaststellen van toekomstperspectief en inventariseren van leermiddelen. Daarnaast moet informatie verzameld worden over eventueel bestaande leerplankaders.
  2. Vaststellen niveaus - Een doorlopende leerlijn heeft betrekking op verschillende niveaus zoals leerjaren of opleidingen.
  3. Vaststellen leergebied - Er moet bepaald worden waar de leerlijn over gaat. Het kan hier gaan om vakken of leergebieden maar ook over opleidingen of educaties.
  4. Vaststellen kernen – Het bepalen van inhouden in de vorm van kernen, vaardigheden of competenties binnen het leergebied en de relatie met wetgeving of eerder gevalideerde documenten.
  5. Formatieve evaluatie kernen– Het voorleggen van het eerste concept aan vakexperts, betrokkenen en belangenverenigingen.
  6. Revisie kernen– Op basis van de evaluatie de inhouden bijstellen
  7. Ontwikkelen doelen – Op basis van de inhouden doelen formuleren die passen bij de verschillende niveaus
  8. Formatieve evaluatie doelen - Het voorleggen van het eerste concept aan vakexperts, betrokkenen en belangenverenigingen.
  9. Revisie doelen - Op basis van de evaluatie de inhouden bijstellen
  10. Validatie - Het voorleggen van het concept van de doorlopende leerlijn aan een brede groep vakexperts, uitgevers, betrokkenen en belangenverenigingen zoals vakverenigingen, sectorraden en expertisecentra.
  11. Registreren als vocabulaire - Om leerlijnen te ontsluiten is het nodig om de begrippen zoals leergebieden, niveaus, kernen, subkernen, inhouden en doelen op te nemen in vocabulaires. vocabulaires zijn begrippensets met een die voor een bepaalde toepassing en doelgroep ontwikkeld zijn. Door de vocabulaires te registeren in het onderwijsbegrippenkader (Edustandaard, 2013) kunnen begrippen in de leerlijnen worden gebruikt om leermiddelen vindbaar te maken, arrangementen samen te stellen en leermiddelen systematisch te ontwikkelen.

Format
Voor het ontwikkelen van de doorlopende leerlijnen kan het volgende format worden aangehouden.
  • Niveaus - Het gaat hier om de keuze  van het het eindnviveau waar de leerlijn eindigd, maar ook om de opdeling in stappen. Tule (SLO, 2009) heeft als eindniveau de uitstroom van basisonderwijs, dus eind groep 8 en heeft tussendoelen geformuleerd per twee leerjaren. Het referentiekader taal en rekenen heeft als eindniveau het eind WO genomen in de vorm van 4F en daartussen drie punten, 1F, 2F en 3F aangeven. In de kernprogramma's zijn leerlijnen geformuleerd met eind vmbo als einddoel en leerlijnen met havo/vwo als einddoel. Tussendoelen zijn aangegeven op eind basisonderwijs en eind onderbouw. Dit is voor vmbo eind klas 2 en voor havo/vwo klas 3. Het kiezen van eindniveau en tussennivaus hangt nauw samen met de functie, doelgroep en opbouw van de leerlijn.
  • Leergebieden - Momenteel zijn er leerlijnen ontwikkeld voor verschillende vakken zoals taal, rekenen en aardrijkskunde. Deze vakken zijn concrete begrippen in basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Toch is dit niet vanzelfsprekend omdat in het basisonderwijs er wat betreft wetgeving niet over vakken maar over leergebieden wordt gesproken. In de onderbouw van het voortgezet onderwijs zijn kerndoelen ook ingedeeld op leergebieden, maar de examens worden alleen per vak afgenomen. Deze vakkenlijst wordt beheert door Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO, 2013) en is daardoor ook een wettelijk onderdeel van het onderwijs. Het kiezen van leergebieden is daarmee direct gekoppeld aan wetgeving.
  • Kern - De kern is een bouwsteen die als rode draad fungeert voor alle onderwijsniveaus (PO, VO, MBO, HBO en WO). De kern is een kapstok waaraan onderdelen van het onderwijsprogramma opgehangen kunnen worden. Daarnaast heeft een kern een zekere mate van abstractie om als kapstok te kunnen fungeren voor verdere uitwerkingen. Het aantal kernen mag maar beperkt zijn en varieert van 4-10 per vak.Bij talen bestaan kernen uit kernvaardigheden, bij geschiedenis uit tijdvakken en bij economie uit kernconcepten. Deze verschillen zijn geen probleem. Voor elk vak staan de kernen wel allemaal gerangschikt in de kolom kernen. Het nummeren van kernen en de volgorde is vaak van belang. Stel deze vast.
  • Subkern - Een kern valt uiteen in meerdere subkernen, die elk een bepaald onderdeel van een kern beschrijven. Subkernen die bij één bepaalde kern horen, hangen met elkaar samen. Het zijn dus kleinere bouwstenen. Om in een latere fase leermiddelen goed te kunnen metadateren is van belang dat we het aantal subkernen per kern niet beperken, maar juist fijnmazig maken. Voor de uitgevers is het handig als zij hun leermiddel één op één kunnen labelen met een kern/subkern. Zodat ook de gebruiker die een leermiddel gaat zoeken over een kleiner onderdeel van het vak, een hier bijbehorend leermiddel kan vinden.
  • Omschrijving (Inhoud, Onderwerp) - De kernen en subkernen bieden nog niet voldoende informatie om te weten wat leerlingen moeten kennen/kunnen. Daarom is aanvullende informatie nodig. Het gaat hier niet om voorbeelden te geven. In de kolom inhoud komt een korte omschrijving van de subkern te staan in samenvattende zonder het beheersingsniveau in de zin van handelingswerkwoorden. Voorkom dat het een rijtje met begrippen wordt, die geven onvoldoende weer wat er gekend moet worden (verbanden tussen begrippen, oorzaak/gevolg etc.).
  • Vakbegrip - Ieder vak (behalve talen) kent vakspecifieke begrippen. Dit zijn begrippen die specifiek zijn voor en vak en voorkomen in een Inhoud, Tussendoel of eindterm. Alle vak kernen en subkernen zijn al automatisch vakspecifieke begrippen. Een vakspecifiek begrip is een begrip dat een prominente plaats inneemt in het programma van het vak, door de leerlingen gekend en toegepast moet worden in het onderwijs.
  • Tussendoel of eindterm – Geef voor elk niveau in combinatie met een inhoud een uitwerking in de vorm van een tussendoel, eindterm of doelen uit de syllaby. Het tussendoel of eindterm bevat dus een beheersingsniveau in de vorm van een handelingswerkwoord in combinatie met de eerder aangegeven inhoud.
  • Einddoel – Geef per inhoud aan welke kerndoelen, exameneenheden of referentiekader doelen ten grondslag liggen aan de inhouden
  • Samenhang  – Om interne samenhang aan te geven kan op basis van inhouden tussen de vakken een relatie worden aangegeven. 

Nadere richtlijnen 

  1. Maak alle leerlijnen volgens dezelfde onderverdeling:
  2. Iedere leerlijn valt uiteen in atomaire vakkernen-subkernen-Inhoud.
  3. Een subkern moet een unieke beschrijving krijgen en niet ook al met dezelfde benaming elders voorkomen, dan kan er niet mee gemetadateerd worden. Het moet ook niet zo zijn dat een naam van een vakkern terugkomt met dezelfde benaming als subkern.
  4. Het eenduidig en consistent beschrijven van kernen, subkernen, inhouden en doel is moelijk. Probeer toch zo beknopt mogelijk te blijven
    1. de vakkern is kort, hooguit enkele woorden, maximaal 50 karakters
    2. de subkern soms iets langer, maar ook maximaal 50 karakters
    3. de inhoudsbeschrijving graag niet meer dan 100 karakters. 
    4. Tussendoel, maximaal 250 karakters
  5. Lukt dat niet dan kan dat een aanwijzing zijn om de subkern nog verder op te delen in meerdere subkernen.
  6. De omschrijving van de inhoud begint met een hoofdletter en eindigt niet met punt (of puntkomma)! Voorkom slordigheden als dubbele spaties en eindspatie. En typefouten!
  7. Een tussendoel is gerelateerd aan een subkern, nooit direct aan een vakkern
  8. Iedere Subkern voor een bepaald leerniveau heeft minimaal 1 Tussendoel voor dat leerniveau. Iedere Vakkern voor een bepaald leerniveau heeft minimaal 2 Subkernen voor dat leerniveau. Anders heeft het opdelen geen zin. Ofwel, een Vakkern kan niet voor een bepaald leerniveau zijn als er geen Subkernen voor dat leerniveau zijn geformuleerd en gekoppeld.
  9. Zorg bij de indeling van een kernprogramma voor balans tussen: 
    1. evenwichtige verdeling van de omvang en 
    2. logische indeling van de inhoud  en 
    3. hergebruik van vakkernen, vaksubkernen en inhouden waar dat mogelijk is
  10. Probeer opsommingen te vermijden: Splits Vakkernen, Vaksubkernen of Inhouden om dit op te lossen
  11. Voorkom ongewenste dubbelingen; Als een Vakkern, Vaksubkern of Inhoud al voorkomt en iets anders betekend, noem het dan anders.
  12. De subkernen en inhouden hoeven geen exacte afspiegeling te zijn van het tussendoel of de eindterm.
    1. B.v. “Energieomzettingen bij beweging minimaal in de contexten energiegebruik, energiebesparing in het verkeer, de bewegende mens” als inhoud neigt naar een leerdoel, maar de afspraak is dat bij de omschrijving van de inhoud geen handelingswerkwoorden gebruikt worden.
    2. Hergebruik de Vakkernen in de doorlopende leerlijnen 
  13. De vakkernen zijn vaststaand op alle niveaus om de doorlopende leerlijn te realiseren.
  14. Blijf eenduidig bij het indelen van subkernen en inhouden bij vakkernen voor de verschillende leerlijnen

Referenties

DUO (2013) Dienst Uitvoering Onderwijs. http://www.ib-groep.nl/organisatie/over_duo/over_duo.asp
ECK (2013) Educatieve Content Keten. http://www.educatievecontentketen.nl
Edrene (2012) Educational Repository Network. http://edrene.org
Edustandaard (2013) Onderwijsbegrippenkader. http://www.edustandaard.nl
SLO (2013) Vocabulaires. http://vocabulaires.slo.nl 
Strijker, A. (2010). Leerlijnen en vocabulaires in de praktijk. SLO, Enschede.
Strijker, A. & Corbalan, G. (2011). Zoeken en arrangeren met leerlijnen. SLO, Enschede.